DE VOLCKAERT SAGA

HOOFDSTUK 1 / deel 6

DE VOLCKAERT NA DE OORLOG TOT 1964

In februari 1946 begon Bouw -en Sloopbedrijf Vissers uit Oosterhout met het neerhalen van de linkervleugel van het gasthuis. Veel hoefde niet meer gesloopt te worden omdat alleen al het aanzien ‘een ruïne gelijk ‘was.De plannen voor de herbouw waren nog niet klaar ,maar op 8 mei kreeg de firma Rasenberg uit Terheijden al de opdracht te beginnen met bouwen. Onder andere die voortvarendheid was oorzaak van een onverwacht vroeg ingetreden vertraging van de bouw. De echte oorzaak was de financiering. Rasenberg werd het werk gegund voor Fl. 169.500,- , de verzekering betaald Fl. 45.000 uit en de rest moest uit eigen middelen betaald worden. . Toch kon de nieuwe vleugel , die een derde verdieping kreeg , ruim twee jaar later , iets later dan gepland, feestelijk worden geopend.

Ontwikkeling

De bouw ging dan wel niet zo snel, de tijd schreed voort. Er kondigde nieuwe processen aan in de gezondheidszorg. Vooral de bejaardenzorg en ziekenverpleging en de verdere ontwikkeling van de sociale vooruitgang in het algemeen in Nederland kwamen in de politieke belangstelling te staan. Landelijk werd aangedrongen om de sociale voorzieningen voor het personeel eens grondig onder de loep te nemen. Het bestuur van het gasthuis liep voorop in die ontwikkeling. Gezien de regentenmentaliteit en de invloed van de kloostergemeenschap in het verleden was dit uniek te noemen in Dongen én ons land. In 1953 al werd een akkoord getekend voor het uitbetalen van een vakantietoeslag en ook sloot het gasthuis zich aan bij een pensioenfonds. Landelijk werden pas in 1977 deze nu normale secundaire arbeidsvoorwaarden vastgelegd in een CAO.

Ook het dorp Dongen werd – gezien de bevolkingstoename – gedwongen om mee te gaan in de vaart van de wederopbouw van het naoorlogse Nederland . Er werden plannen gemaakt voor de aanleg van een verbindingsweg met Oosterhout . Aan weerszijde van , wat we nu kennen als de Middellaan – werden twee nieuwe woonwijken gepland . Het bestuur van het gasthuis had heel andere plannen .Zo werd aan uitbreiding gedacht en ook gerealiseerd. In 1957 werd daarom begonnen met de bouw van een polikliniek en een ziekenhuisafdeling. Ondanks het feit dat landelijk de tendens merkbaar werd dat kleine ziekenhuizen geen bestaansrecht hadden in de toekomst zette het bestuur zijn beleid in deze voort .Mede met de gedachten dat een behoorlijk landbouwbedrijf op haar terrein de kosten van de exploitatie zouden blijven drukken werd de strijd aangegaan met de gemeente om de daarvoor nodige gronden te behouden. Er werd beroep aangetekend door het gasthuis bij de Gedeputeerde Staten om te voorkomen dat de gemeente de grond voor de aanleg van de Middellaan zou gaan gebruiken. De kosten van dit beroep waren erg hoog en de teleurstelleng groot toen de het door Gedeputeerde Staten werd afgewezen. Mede door deze gebeurtenissen werd in 1960 een nieuw bestuur benoemd. Voorzitter Cloin haalde in de jaren daarop de heren Van Den Dries en Lichtenberg binnen . Dit drietal was afkomstig uit het zakenleven. Dat ook het zakenleven risico’s moet nemen werd gauw duidelijk. Als dan de bouw van een echt ziekenhuis in deze politiek situatie nog niet mogelijk werd geacht moest men kiezen voor een alternatief om behalve de werkgelegenheid te verzekeren ook de toekomst veilig te stellen voor de ontwikkeling van een uitgebreider verpleeg –en bejaardenhuis. Daar werden de pijlen vanaf nu duidelijk op gericht. Op 26 september 1964 werd vrede gesloten met het gemeentebestuur en gingen de gronden , nodig voor de ontwikkeling van het dorp Dongen over naar de gemeente. Later zou blijken dat juist dat drie -koppige bestuur een goede kijk op de toekomst hebben gehad : tijdens de onderhandelingen met de gemeente werd de basis gelegd voor een algehele nieuwbouw van de stichting in de nabije toekomst. In de zomer van 1964 opende de toenmalige voorzitter Vlaminkx het voorlopige verpleeghuis. In zijn toespraak zei hij het jammer te vinden dat de plannen voor een Dongens ziekenhuis niet konden worden gerealiseerd maar dat de plannen voor uitbreiding van het verpleeghuis naar 100 bedden vorm begonnen te krijgen en dat de wens het bejaardenhuis uit te breiden levendig waren .

Nog een probleem

Vanaf de jaren vijftig was het al zo dat de zusters in Breda de rem zette op het afstaan van religieuzen aan het verpleeghuis. Er moest dus – denkend aan de toekomst –een begin worden gemaakt met een interne opleiding van zieken- en bejaardenverzorgsters. Er werd met de opleiding gestart in 1963. Vijftien meisje werden toegelaten , later gevolgd door nog eens vijf. Dr. van Loringen en zuster Alberta zochten naar een opleidinggebouw én een internaat voor de meisjes.De ruimte in het gasthuis werd te krap en te duur voor dit doel. De problemen ontstonden toen de geldbuidel voor zo’n opleidinggebouw open moest. Het pand op de Hoge Ham 68 bleek wél geschikt maar te duur. Het gebouw huren van de eigenaar Laurentiusparochie en het overbrengen naar andere huisvesting van de zusters Franciscanessen die daar woonden en in dienst waren van het Wit-Gele Kruis stuitte eerst op schijnbaar onoverkomelijke moeilijkheden . In 1967 werd toch nog een oplossing gevonden voor de zusters en kon het pand in gebruik worden genomen voor de opleiding van de meisjes. De fundamenten van de Volckaert van de toekomst werden duidelijker en kreeg in het aannemen van een professionele administrateur in de persoon van J.J. van Loon steeds meer gestalte.

Pee

In deel zeven wordt de aanloop naar de huidige Volckaert beschreven en in deel acht wordt hoofdstuk 1 van de Volckaert Sage afgesloten .Hoofdstuk twee geeft een beeld van de Volckaert zoals de huidige Dongenaar het gebouw en organisatie lang heeft gekend.