DE VOLCKAERT SAGA Hoofdstuk 1 / deel 2 Liefde voor allen

In het jaar 1855 komt Jacobus van Iersel naar Dongen . Eerst als kapelaan ,later volgt hij Pastoor Van der Riet op .Van Iersel heeft niet alleen medelijden met de zieke , arme , gebrekkige oudere Dongenaren , hij wil tijdens zijn 40-jarig verblijf in Dongen ook daadwerkelijk iets dóen voor de mensen .Hij was het die het initiatief nam voor de bouw van het latere St. Elisabeth Gasthuis. De overlevering wil dat de pastoor tijdens de preek in de hoogmis tussen de vele hoestbuien van zijn beminde gelovigen door de bouw van het Gasthuis aankondigde . Weinigen maar hadden zijn woorden daardoor verstaan , anderen hebben de woorden later samen met meneer pastoor vorm gegeven . Er vormt zich een oprichtingscomité. Pastoor van Iersel vindt twee andere notabelen aan zijn kant. Frans van Breugel en Jan Bressers . De pastoor moet behalve een moedig goedgelovig man ook een liefdevol persoon zijn geweest die bovendien niet onbemiddeld was. Toch was het Van Breugel die de eerste financiële middelen op tafel bracht voor de bouw van het Gasthuis. Hij deed dat onder andere wegens zijn grote blijdschap en dankbaarheid dat zijn broer vlak voor zijn dood het bijna tot bisschop had gebracht waarvan hij vond dat daarbij de kerk in de persoon van de pastoor een grote verbale rol in had gehad . Van Breugel was burgemeester van 1836 tot 1875. Vlak voor zijn dood werden de eerste spaden in de grond gezet van het Gasthuis. De tweede man naast de pastoor en mede oprichter was Jan Bressers . Jan kwam uit Oost – Brabant , trouwde met een Dongense en verhuist daarom naar Dongen. Hij woont dan in een van de huisjes ‘In de Bergen ‘. Jan Bressers is een zakenman, maar heeft een hart vol liefde. Goed voor zijn mensen doch niet gul met beloning en daardoor toch voort –en welwarend . Hij wordt later de eerste regent van het Gasthuis.

Tijdens het schrijven van deze teksten bekruipt me het latente gevoel dat de baas je ‘in die tijd arm en de pastoor je dom hield toch wel heel sterk. Echter gezien het tijdsbeeld in de negentiende eeuw was dat een hele normale redenering. De rijken zorgden met klinkende munt dat de armen konden blijven werken en daardoor een bestaan konden opbouwen en klassenverschil is in die tijd de normaalste zaak. Bovendien was het ‘Gods wil ‘dat de armen arm waren en de rijken rijk.’ De mens moet daarin kunnen schikken was de algemeen geldende regel.

Volgende keer schrijven we 7 januari 1882 . Het parochieel bestuur van de Stichting Laurentius komt in buitengewone vergadering bijeen en besluit tot de oprichting en de bouw van een gasthuis , in die tijd ook wel Godshuis genoemd. De Volckaert Saga gaat verder.